wbe
logo
wbe
Home wbe algemeen nieuws het wild jagen leden formulieren knjv contact
 


Het Wild

Inleiding
Sinds 1 april 2002 is er geen Jachtwet maar valt alles wat de jacht betreft onder de Flora- en Faunawet: Alle inheemse dieren zijn in principe beschermd (exoten en verwilderde dieren niet). Er zijn een paar redenen waarom dieren met het geweer gedood mogen worden. De wet maakt een onderscheid tussen:
1. jacht
2. beheer
3. schadebestrijding
Jacht, beheer en schadebestrijding mogen alleen plaatsvinden met toestemming van de grondgebruiker.

Sinds de invoering van de Flora- en Faunawet kent Nederland nog maar zes soorten wild, waarop gejaagd mag en kan worden (binnen de daarvoor gestelde periode). Jagen op dit wild mag omdat de stand van de soorten goed genoeg is en jacht geen nadelige invloed heeft op de wildstand. Gegevens over het jachtseizoen staan op de pagina Jagen. De zes soorten wild volgens de Flora- en Faunawet zijn:

De haas
De haas komt in heel Nederland voor, veelal in bewoond agrarisch gebied. De soort is herkenbaar aan de lange oren, stevige achterpoten en de amberkleurige ogen. Zowel het mannetje (de rammelaar) als de vrouwelijke haas (de moer) mogen 15 oktober tot en met 31 december van zonsopgang tot zonsondergang worden bejaagd.

Wilde eend.
De wilde eend is slechts een van de vele eendensoorten die in Nederland voorkomen. De mannelijke wilde eend, de woerd, kenmerkt zich door de glanzende groene kop en het grijze en bruine lijf. Het wijfje, het eendje genaamd, is voornamelijk bruinkleurig. De vogel is te vinden in grote delen van Europa. In Nederland zijn het gehele jaar eenden te vinden maar vooral in de winter stijgt hun aantal: tussen de half en één miljoen overwinteren hier. Wilde eenden zijn voornamelijk te vinden in waterrijke gebieden.

Behalve de zwemeenden kent Nederland ook verschillende soorten duikeenden, zee-eenden, zaagbekken en bergeenden. Net als ganzen en alle andere in Nederland voorkomende watervogels mogen deze niet worden bejaagd.

De fazant
De fazant is een veelvoorkomende hoendersoort in Nederland en is vooral te vinden in een vochtige omgeving waar tevens de nodige dekking te vinden is. Het diersoort leeft in groepen en is voornamelijk overdag actief. De jacht op fazanten kent twee openingstijden. Op de haan mag tussen 15 oktober tot en met 31 januari worden gejaagd; de jacht op de hen sluit een maand eerder, op 31 december. Voor beide geslachten geldt dat alleen tussen zonsopgang en zonsondergang mag worden gejaagd.

Konijn
Het konijn is één van de vijf bejaagde wildsoorten. Dit wil zeggen dat er tijdens het jachtseizoen op gejaagd mag worden. Het jachtseizoen voor konijnen loopt van 15 augustus tot en met 31 januari. Daarnaast kunnen konijnen lokaal veel schade aanrichten. In heel Nederland mag de schade gedurende het gehele jaar met het geweer bestreden worden.

Houtduif
De houtduif,  (bosduif, ringduif, koolduif, of in jagerstaal: "blauwe") is de grootste van de in Nederland voorkomende duivensoorten. Het verspreidings- en broedgebied beslaat Europa, west-en midden-Azië, noord-Afrika, het Middellandse Zeegebied tot in India. In winter en voorjaar komen grote groepen blauwen van de Scandinavische landen naar Nederland.
De houtduif is een handige, onvermoeibare vlieger, met een licht dwarrelende vlucht.

De patrijs
Hoewel de patrijs volgens de Flora- en Faunawet tot de zes wildsoorten hoort, komt de patrijs tot op dit moment zo weinig voor dat de soort op de Rode lijst staat. De jacht op de patrijs is dus niet geopend. 

De Stichting Beheer Natuur en Landschap stimuleert de Wildbeheereenheden (WBE's) om maatregelen te treffen tot herstel van de patrijzenpopulaties. Dit gebeurt door het aanbrengen van meer variatie in het landschap, het aanbrengen van broeddekking en het inzaaien van 'patrijsvriendelijke' gewassen die veel door insecten worden bezocht.

ANDERE DIEREN:

Andere diersoorten vallen in de Flora- en faunawet niet onder 'wild' waarop mag worden gejaagd. Alle dieren zijn in principe beschermd. Een aantal mag worden gedood, maar alleen in het kader van beheer of schadebestrijding en alleen als het rijk of de provincie daar een aanwijzing of ontheffing voor gegeven heeft.
Een aantal dieren wordt hier nog toegelicht, en dan met name dieren die in de gemeente Haarlemmermeer, het werkgebied van deze WBE, ook voorkomen.

Kraai en Kauw
Ingaande 1 april 2004 zijn de kraai en kauw door de minister op de landelijke vrijstellingslijst gezet. Vrijstelling wordt verleend ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Er is door het ministerie vastgesteld dat de kraai en de kauw gedurende het hele jaar in het gehele land belangrijke schade aanrichten en heeft daarom deze vrijstelling gegeven. Dit houdt in dat de grondgebruiker (of iemand met toestemming van de grondgebruiker) deze dieren mag doden, vangen, verstoren, hun nesten vernielen of eieren mag rapen.

Ganzen en Smient
Vanaf 1 december 2003 mogen twee soorten overwinterende ganzen, namelijk kolgans en grauwe gans, in bepaalde gevallen worden geschoten om landbouwschade te voorkomen. Dat geldt ook voor de smient, een eendensoort. Tot voor kort waren deze vogelsoorten gedurende de hele winterperiode beschermd. Dat is dus veranderd. Afschot mag alleen worden gebruikt als extra middel voor verjaging. Eerst moeten andere middelen, zowel zichtbare (zoals stokken met vlaggen) als hoorbare (bijvoorbeeld gaskanonnen), zijn geprobeerd. Pas als die niet helpen mag een klein aantal ganzen of smienten worden geschoten.

Op de pagina formulieren kunt u een formulier vinden waarmee u een verzoek kunt indienen voor schadebestrijding door afschot van deze ganzen en de smient.

Vos
Hoewel aanwijzing van deze diersoort ter beperking van de aantallen in Noord-Holland aanstaande lijkt, wordt dit voor de Haarlemmermeer separaat gevraagd. Het akkerbouwgebied kent een relatieve rijkdom aan met name kieviten en scholeksters. Vele andere bodembroeders als krak-, berg- en slobeend, wulp en velduil, leeuwerik, gele kwikstaart, patrijs e.d. vragen een beperking van de vossenstand in het werkgebied tot de W.H.O. norm van 1 per 200 ha..
De voorjaarsstand in de Haarlemmermeer, waar deze soort tot 1983 niet voorkwam, is stijgende tot een waargenomen aantal van rond 20 bij een gemiddeld afschot in de periode van 1998 tot 2002 van 15.

Ree
De laatste decennia heeft het ree zich in sterke mate over ons land verspreid. Een ree kan zich gemakkelijk aanpassen in ons landschap, mits er voldoende voedsel, dekking en rust aanwezig is. Reeën treffen we nu aan in bossen, rietvelden, duinen en akkerbouwgebieden. Het aantal reeën in ons land wordt geschat op 50.000 exemplaren.

Wildbeheereenheden inventariseren het reeënbestand in hun werkgebied. Aan de hand van de uitkomsten daarvan stelt de WBE een afschotplan op. Zaken als verkeersveiligheid, schade aan de land-, tuin- en bosbouw alsmede de kwaliteit van de populatie, spelen een rol bij de uiteindelijke vaststelling van het afschot. De provincie bepaalt uiteindelijk hoeveel reeën er geschoten mogen worden.

En verder
zijn er nog meer diersoorten die vallen onder beheer en schadebestrijding. Indien daartoe aanleiding is zal er op deze pagina meer over die dieren worden verteld.


terug naar homepage